Twaalf stammen van Israël
de Synagoge van
Enschede




Prinsestraat 14-16, Enschede

    << vorige    volgende >> .


  De twaalf stammen van Israël

Jacob kreeg de eerste vijf zonen en dochter Dina bij Lea. Dan en Naftali werden verwekt bij Bilha, de slavin van Rachel. Gad en Asser werden geboren bij Zilpa, de slavin van Lea. Jozef en Benjamin zijn kinderen van Rachel. Rachel, die eerst onvruchtbaar leek, overleed in Betleham bij de geboorte van Benjamin

De twaalf stammen zijn in de koepel van de sjoel herkenbaar met een symbool: [houd de muis boven de betreffende regel om het plaatje rechts te veranderen]
de stam Levi
de stam Levi
  1. Ruben, de liefdesappel. Hij is de eerste geborene. "Gij die opbruist als het water". (Genesis/Beresjiet 49:3)
  2. Simeon, de vesting. (Genesis/Beresjiet 49:5)
  3. Levi, het borstschild met de twaalf vakken. De stam van Levi leverde de eerste "kohen gadol" [hogepriester], namelijk Aäron. (Genesis/Beresjiet 49:5) Zie verder bij Kohaniem en Levieten.
  4. Juda, de leeuw. Aan deze stam ontlenen de joden hun naam. (Genesis/Beresjiet 49:9)
  5. Zebulon, het schip. Hij zal wonen aan het strand bij de schepen, "en zijn zijde zal naar Sidon terugkeren". Deze omschrijving maakt duidelijk dat de stam van Zebulon zich vooral met handel bezighield. (Genesis/Beresjiet 49:13)
  6. Issachar, de beladen kameel (oorspronkelijk een ezel). (Genesis/Beresjiet 49:14) De juiste omschrijving is een bonkige ezel. Issachar wordt beschreven als een geleerde. De ezel is dan ook beladen met boeken. (In tegenstelling tot in het Nederlands, staat in het Hebreeuws ezel niet voor dom, maar voor een dier dat veel kan (ver)dragen).
  7. Dan, de slang. Een adder, die bijt in de hielen van het paard. (Genesis/Beresjiet 49:16-17)
  8. Gad, de tent. (Genesis/Beresjiet 49:19) De tent staat wellicht als symbool voor een tentenkamp. Gad was vooral een strijder, soldaat zonder vaste woonplaats.
  9. Aser, de vruchtboom.(Genesis/Beresjiet 49:20) Hier wordt een olijvenboom mee bedoeld. Uit de olijven werd de olie geperst die nodig was om bijvoorbeeld de lichten in de tempel te laten branden.
  10. Naftali, de hinde. (Genesis/Beresjiet 49:21) Hij liep zo snel als een hinde. Er is hiervan een mooi verhaal in omloop. In het kort: Ezau verhindert dat Jacob begraven kan worden in Hebron, spelonk van Machpela, door te stellen dat hij recht heeft op een plek in het familiegraf van de aartsvaders, zich beroepend op het eerste geboorterecht. De bewijzen dat dit niet juist zou zijn lagen in Egypte. Naftali krijgt de opdracht om die bewijzen te gaan halen. En hij loopt zo snel als een hinde.
  11. Benjamin, de wolf. Hij zal als een wolf verscheuren. (Genesis/Beresjiet 49:27)
  12. Efraïm, de stier en
  13. Manasse, de eenhoorn. Zij komen in plaats van de niet bestaande stam Jozef (Genesis/Beresjiet 49:22). want zij zijn zonen van Jozef. (Deuteronomium/Devariem 33:17)


Zie: Dierenriem - Zodiak Zie: Kohaniem en Levieten 
Onder koning David hebben de stammen, die elk oorspronkelijk over een deel van Kanaän regeerden, zich verenigd tot een koninkrijk. De hoofdstad van dit rijk werd Jeruzalem in het nieuw veroverde gebied: Juda. Salomo (950 v.d.g.j.) maakte van deze stad ook het godsdienstige centrum. In een latere periode hebben de verschillende stammen soms met elkaar en dan weer tegen elkaar veel oorlogen gevoerd. In het rijk Israël verenigden zich op den duur weer de tien stammen van het noorden. De hoofdstad werd Samaria. In het rijk Juda kwamen de nakomelingen van Juda en Benjamin onder een eigen gezag, met als hoofdstad Jeruzalem.

Door de veroveringen van de Assyriërs, door hun politiek van gedwongen volksverhuizingen, en door vermenging van de tien noordelijke stammen met andere volkeren verdwenen de noordelijke stammen als herkenbare eenheden. Zij zijn bijna allemaal opgegaan in de plaatselijke bevolking.

Het rijk Juda behield wel zijn eigen identiteit en bleef herkenbaar, ondanks de verovering van het tweestammen rijk door Nebucadnezar (586 v.d.g.j.) en de Babylonische Ballingschap van deze stammen. De naam joden is ontleend aan Juda. Er zijn alleen nog afstammelingen te traceren van de stammen Levi en Juda.

In onze synagoge zijn de Twaalf Stammen terug te vinden aan de onderkant van de grote koepel. In de ronde medaillons staan de symbolen voor elke stam afzonderlijk weergegeven. De volgorde waarin de stammen staan is dezelfde als tijdens de mars na de uittocht uit Egypte. Voorop de Levieten, daarna de stammen van Issachar, Juda en Zebulon. Vervolgens de stammen, dus mannen, vrouwen, kinderen, vee en bagage, van Ruben, Simeon en Gad. Hier achter kwamen de stammen van Efraïm, Manasse en Benjamin. De stammen van Aser, Dan en Naftali vormden de afsluiting van deze landverhuizing. (Numeri/Bemidbar 2:1)

In het borstschild van de stam Levi zijn de stammen vertegenwoordigd door een bepaalde kleur. Deze kleur is afhankelijk van de steen, die bij elke stam gegeven is: (Exodus/Sjemot 28:17)

Naam
van de stam
Edelsteen in het borstschild van Levi
HebreeuwsNederlandsKleur
RubenOdemRobijnRood
SimeonPitdahTopaasGeel / groen
LeviBareketSmaragdGroen, wit, zwart, rood gevlekt
JudaNofechTurkooisHemelsblauw
IssacharSapirSaffier /Lapis lazuliZwart
ZebulonJahalomDiamantWit
DanLesjemBarnsteenGeel
NaftaliSjewooAgaatGitzwart
GadAglamaAmethistPaars zwart / wit gemêleerd
AserTarsjiesjAquamarijnBlank
JosefSjoham onyxChalcedoonGestreept grijs / zwart
BenjaminJasjfeeGroene jasperGroen met alle twaalf kleuren er in